Metropoliet Georges Khodre van Libanon

 Tijdens de orthodoxe consultatie over de liturgie van september 1975 te Etchmiadzin (Armenië) gaf Metropoliet Georges Khodre van Libanon een merkwaardige uiteenzetting over de liturgische spiritualiteit. Dit is des te belangrijker wanneer men weet dat Metropoliet Georges in Libanon sterk geëngageerd is in de Arabische bevrijdingsbeweging. Aan de hand van zijn uiteenzetting toont hij aan, hoe juist door het liturgisch participeren aan de getransfigureerde wereld, de christen zijn historisch dynamisme verkrijgt, dat terzeldertijd relativeert en metamorfoseert en tevens de verrijzenis mededeelt.

1. BEHOEFTE AAN LITURGISCHE ERVARING

Voor Metropoliet Georges Khodre is er een liturgische wijze van zijn, bestaat er een “homo liturgicus”. In de Geest en door de cultus ontstaat er een relatie tussen God en mens. Daarbij wordt verwezen naar het bekende woord van de H. Irenaeus: “wij geloven conform aan de Eucharistie”. Het boek der Handelingen toont ons hoe de tussenkomst van de Geest geschiedt wanneer de gemeente celebreert en vast (13.2.). Ook de extase te Patmos gebeurt tijdens de Liturgie.

Het leven in de Geest evenals het spiritueel engagement en de geestelijke levensstijl die aan dit leven ontspruiten, vinden hun inspiratiebron en ontlenen hun levenssfeer aan de geschriften van de Kerkvaders; nochtans zou de eenvoudige lectuur van de Vaders alleen niet in staat zijn geweest dit geestelijk leven te doen ontstaan of mede te delen. Daartoe was de Liturgie noodzakelijk.

Liturgisch leven is echter veel meer dan de keuze van bepaalde teksten, het opstellen van de “ordo”, het verzamelen van diverse composities; evenmin kan de liturgie herleid worden tot haar pedagogisch aspect. Zowel in de vorm als in de inhoud van het liturgisch gebed, in zijn supra-formele schoonheid evenals in het feit zelf van de communautaire celebratie is een onuitputtelijke schat van genade, van theologische en ethische reflectie geborgen. Wat een buitenstaander er ook op het eerste gezicht moge van denken, de liturgie beantwoordt aan de noden en de verwachtingen van de technologische mens, zoals trouwens aan die van de mens van alle tijden; zij bezorgt hem een “onsterfelijkheidsremedie”, nadat hij de desintegratie van zijn persoonlijkheid en de verdwijning van alle hoop ervaren had. In de angst die hem beknelt wordt het geloof, zoals het in de liturgie gevierd wordt, hem tot een heil dat hij als zijn meest intieme ervaring aanvoelt.

2. LEIDT DE LITURGIE ECHTER NIET TOT ALIËNATIE?

Sommige gelovigen menen inderdaad dat de wereld en haar geschiedenis de plaats zijn van Gods afwezigheid; zij zoeken dan hun toevlucht in de cultus. Het gebed is echter geen toevlucht, maar wel een “zich terugtrekken, een zich distantiëren van”: immers, alhoewel het liturgisch gebed veronderstelt dat wij de zorgen van de wereld terzijde stellen (Cherubikon) vergt het tevens van ons dat wij de wereld voor het gelaat van de Vader zouden assumeren; na onze offerande op het altaar neergelegd te hebben, moeten wij terug naar het altaar van de armen (Heilige Johannes Chrysostomos). Een gedesincarneerde, gedeshistoriseerde Eucharistie verwijdert zich van haar kosmische dynamiek, minstens op het vlak van het bewustzijn.

Weliswaar was binnen de historische context waarin de Orthodoxie leefde, op bepaalde momenten de sociale activiteit van de Kerk onmogelijk. Dan heeft de gelovige zich teruggeplooid op de cultus die dan niet alleen de plaats werd van zijn geloof doch eveneens die van zijn artistieke ontwikkeling en van zijn morele sanering. De harde arbeid, moeizaam ervaren als vermaledijding, werd dan niet gezien als een roeping zoals in het protestantisme. De liturgie kreeg dan een objectieve op zichzelf staande realiteit, zij werkte het ontstaan van een hiëratische maatschappij in de hand, volledig afgesneden van de geschiedenis die de nationale of vreemde Staat aan haar impuls onttrok. Dit gevaar mag nochtans niet onderschat worden.
De mens is immers de bemiddelaar tussen zijn eredienst en zijn historische praxis. Het Woord Gods dat hij in de homilie ontvangt, bereidt hem voor op het profetisch charisma, enige ware remedie tegen de sociale verdrukking. Het is juist omdat de orthodoxe eredienst niet geseculariseerd is, omdat hij eschatologisch, sophianisch is, dat hij een vrije mens vormt, des te vrijer daar hij de inhoud van de vrijheid kent, nl. de waarheid. Aldus is de gelovige volledig beschikbaar voor de dienst van zijn broeders in de stad van de mensen.

3. ALLEEN IN HET LICHAAM VAN CHRISTUS, NAAR HET “GELAAT” GERICHT, WORDEN OOK WIJ “GELAAT”, DUS UNIEK.

Maar indien de Eucharistie “volheid van het rijk Gods” is (zoals de Byzantijnse liturgie het stelt) dan bezit ons engagement in de wereld die volheid niet. Alles wat tot het tijdelijke behoort is ernstig omdat het als offerande kan opgenomen worden, doch tevens is het precair. Alleen Gods gelaat is eeuwig en oneindig. Omdat de Liturgie naar dit gelaat gericht is, is zij sacraal. Alles in de geschiedenis participeert aan deze sacraliteit in de mate dat het naar dit Gelaat gericht is. Vandaar de grote demystificatie van alles dat ons in de wereld van Gods absoluutheid verwijdert. Dit betekent dat ten overstaan van alle gevestigde ideeën en ideologieën de christenen  een ferment van ontbinding brengen. Hun loyauteit is totaal maar niet absoluut, zij zijn aangetast door de dwaasheid van het Kruis, die hen voor elk “establishment” ongewenst maakt.

Waar halen wij de kracht om in deze houding te volharden? Geïsoleerd in zijn afgrond of verzwolgen in de massa, steeds ondergaat het individu de doodsangsten. Alleen in het Lichaam van Christus worden wij als persoon geponeerd en worden wij “gelaat”, dus uniek en onvervangbaar. De menselijke persoon wordt geponeerd door God die hem bemint en door de gelovigen die hem bekijken en zonder oordeel noch veroordeling aanvaarden. Daarom kan de Kerk niet gedefinieerd worden als de gemeenschap der gelovigen. Immers elk van ons is rechtstreeks verbonden met het Hoofd; dit is het mysterie van de communauteit, ondoorgrondbaar zonder deze referentie naar het Hoofd.

Deze waarheid wordt in de Eucharistie beleefd. Ik ben niet overgeleverd aan de chaos; het gebed breidt mij uit tot het uiteinde der wereld. Ik wordt niet sociaal doch communautair of beter “communioneel”; ik weet dat ik de waarheid met de anderen ervaar, in de mate dat ook zij zich door de bekering openstellen voor de genade De waarheid behoort mij niet toe, zij wordt mij gratis in liefde geschonken; zij bevrijdt ons van de overmoed der bezitters. In de Liturgie ervaar ik dat niets, noch mijn intellect, noch mijn deugden mij toebehoren, doch dat alles mij geschonken wordt om het lichaam van Christus op te richten. Dan begrijp ik ook dat het “Ik” hatelijk is en dat het “wij” van de groep als anonyme collectiviteit zonder gelaat even verwerpelijk is. De mens wordt van de hoogmoed gered, alle vooroordelen worden op zij gezet en allen pogen samen het Lichaam van Christus te constitueren. Alle ongelijkheid wordt overwonnen, de mens wordt niet gewaardeerd naar wat hij is, zelfs niet naar de verworven deugden, doch naar de liefde die God hem schenkt.

 In de Liturgie ontvangt de mens de eenheid van zijn wezen, eenheid die door de zonde verbroken werd.

4. IN DE LITURGIE WORDEN WIJ BEVRIJD VAN DE KWELLING VAN TIJD EN RUIMTE

De mens van gebed is zich bewust van zijn broosheid doch tevens van zijn roeping, van zijn val maar ook van zijn goddelijke bestemming. Hij weet dat hij terzelfdertijd zondaar is en tevens getransfigureerd. Het heil bestaat voor hem niet in de droom van een onmogelijke zuiverheid maar het ligt in de getrouwheid, in de voortdurende aanroepingen en in de verwachting van de goddelijke bezoeking. Maar terzelfdertijd geeft de Heilige Geest ons terug aan de Vader en drukt Hij Zijn licht op ons gelaat. Dan worden wij getransfigureerd, d.w.z. wij worden veranderd in die vergoddelijkte natuur die wij reeds in het doopsel ontvingen, doch die wij ignoreren om reden van de vernietiging waaraan wij onderworpen worden in het leven van de wereld.

Wij verschijnen voor onze broeders niet in de conditie van onze miserie maar in de grootheid van onze roeping en in de zachtheid van het Rijk dat zich reeds voor ons uitstrekt en dat ons bijeenbrengt. In dit God-menselijk kader komt de mens met zijn gebaren. Hij wordt gewassen, gezalfd, verlicht en geëxorciseerd. Hij eet en drinkt. Hij wordt significant.

En dezelfde bevindingen buiten de tempel gesteld, worden naar de tempel toe geprojecteerd. Alles roept de Eucharistie op of ligt in de verlenging ervan. Het menselijk woord in de cultuur gesproken wordt zinloos, indien de grens tussen cultuur en cultus, tussen de dagelijkse handelingen en het sacrament niet onmerkbaar wordt. Het onderscheid tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke weerstaat niet aan onze liturgische ervaring. Het lichaam situeert zich in de verwachting van de verrijzenis. Het is het teken van het “gechristifieerd” zijn. Het lichaam als plaats van de Theofanie wordt niet meer beschouwd als vijand van de mens. Het is “mikrokosmos”, drager van de ganse Kosmos voor God en bemiddelaar tussen hen. Zowel binnen als buiten het heiligdom blijft het Tempel van de Heilige Geest. Alleen de verheerlijkte Christus bevrijdt ons van de kwelling van tijd en ruimte. De ruimte is scheiding, smart van de niet-aanwezigheid van de vriend, onmogelijkheid van de alomtegenwoordigheid.

In de Kerk-tempel worden wij onttrokken van de zuivere horizontaliteit. Een nabijheid wordt bevestigd in het bloed van Christus (Ef. 2.13), de muur van de scheiding wordt doorbroken.

Bij de zegening van de vier uiteinden der wereld tijdens het feest van Kruisverheffing worden wij in de verticaliteit van het Kruis voortdurend meegetrokken naar de Pantokrator toe.

Wij weten thans dat, spijts alle contingenties, eenzelfde aanbidding van het geslachte Lam voltrokken wordt, dat het geloof elke conditionering overtreft.

Eén van de meest exalterende trekken van de liturgische ervaring is de bevrijding van het juk van de tijd in zijn dodelijkheid en zijn verveling.

5. DE LITURGIE: STEEDS DE ERVARING VAN DE “HERSCHEP­PING”

Het “niets is nieuw onder de zon” wordt vervangen door “zie alles wordt nieuw”, nieuwheid die voortspruit niet uit de tijd maar uit de nieuwe geboorte in de Heilige Geest. Het is de ervaring van de herschepping.

Door het sacrament bevinden wij ons niet meer in de herhaling maar in de absolute schepping. De nieuwe schepping in Christus behoort tot de komende eeuw, die de draad van de tijd doorbreekt.

Wij leven tegenover de geschiedenis in een dubbel vlak, dit van de historische continuïteit en dit van de eschatologische discontinuïteit. De werkelijke existentie wordt in het geloof gevat. Zij kan niet gereduceerd worden tot zuivere historische rationaliteit, vandaar het dubbel historisch statuut van de christen. Hij is terzelfdertijd een wezen dat volgens de regels van de historie geëngageerd is en tevens een getuige die de door zijn engagement genomen vorm contesteert.

Vandaar ook dat de gelovige niet progressist kan zijn in de systematische zin van het woord. Emmanuel Mounier sprak van het tragisch optimisme van de christen. Elke lectuur van de tekenen des tijds is profetisch en dus stichtend. De “homo liturgicus” zal dus het metafysisch dualisme van tijd en eeuwigheid vermijden, zoals hij ook het progressisme en het apocalyptisch katastrofisme zal vermijden. De geloofsoptie situeert zich buiten elke sociale filosofie en buiten elke metafysica. Zij sluit onmiddellijk aan bij de realiteit van de mens.

Wij kunnen onze theologische reflectie uitbreiden tot elk detail van het liturgisch leven. Aldus Boukharoff over de Ikonen: “Beschouw de verering der ikonen. Wij denken dat haar werkelijke waarde ligt in de levende eredienst die gegeven wordt aan de Heer zelf, aan zijn Persoon evenals aan zijn Heiligen en aan al de mysteries van zijn waarheid. Aldus begrepen manifesteert deze verering zich niet alleen tegenover de Ikoon als object, maar ook door de eerbied die verstrekt wordt aan dit goddelijk beeld, niet door mensenhanden gemaakt, dat wij in de mens zelf ontdekken”.

Om niet in een domein te verzeilen waar de subjectieve interpretatie een nochtans legitieme methode zou kunnen vernietigen, zouden wij onze gegevens moeten vergelijken met de grote patristieke traditie. Doch het komt er in de eerste plaats op aan, de ziel van een Kerk te vatten en van de orthodoxe mens in gebed te zien. Dit is trouwens het beste dat hij historisch gegeven heeft. Daar is het, dat hij zich nederig in het genie van de Heilige Geest uitgedrukt heeft. Aan deze bron zal hij de meest authentieke actie putten, indien hij de christelijke actie, de geest van de Kerk moet mededelen.

 (+) Antoine V.B.